zaterdag 24 december 2016

Renaissance boek 11 - 'T kan verkeren; Bredero

"De klucht van de Molenaer"

Standaardbeschrijving

Titelbeschrijving

Oorspronkelijke auteur: G.A. Bredero
Hertaling: Peter Marteau
Titel: ’t kan verkeren
Titel hertaling: Bulkboek deel 15: ’t Kan verkeren
Uitgever: Meulenhoff
Plaats van uitgave (oorspronkelijk boek): Amsterdam
Jaar van uitgave (oorspronkelijk boek): 1619
Aantal pagina’s: 40


Genre

Dit verhaal uit de Renaissance wordt ook wel de Klucht van de Molenaer genoemd. Het genre van het boek is dus een klucht.

Samenvatting

Trijn Jans, een vrouw uit de stad, loopt aan de zuidwestkant van Amsterdam, net buiten de muren bij de Heiligewegspoort. Ze is met de veerschuit uit de richting Leiden gekomen en heeft gerend om nog binnen te zijn voordat de stadspoort wordt gesloten, maar het is al te laat. Het moet dus tegen de avond lopen, want de poorten gingen in die tijd tegen de schemering dicht. Wat nu te doen? De herbergen in die buurt zijn van verdacht allooi, daarom wil ze onderdak vragen in een particulier huis.
Op dat ogenblik komt Piet, een molenaar, naar buiten, terwijl hij door de openstaande huisdeur praat tegen zijn vrouw. Trijn spreekt hem aan en vraagt, of ze in zijn huis mag overnachten, al is het maar op een stoel. Na een kort overleg met zijn vrouw-alles door de open deur-komt ook zij, Aaltje, naar buiten. Ze sputtert wat tegen, maar Piet ondersteunt het verzoek van Trijn, niet omdat hij zo menslievend is, maar omdat hij haar wel een lekker stuk vindt.
Trijn komt binnen en bewondert het keurige huis. Met z’n drieen hebben ze het over van alles en nog wat: over mannen en wat ze op hun kerfstok hebben, over vrouwenroddel, vooral op kraamvisites, over personeel dat brutaal is en steelt. Trijn prijst Aaltje gelukkig dat ze het zonder dienstbode klaarspeelt.
Als Aal even weggaat, praten Trijn en Piet samen door. Na een wat voorzichtige aanloop doet Piet aan Trijn een ‘oneerbaar’ voorstel: hij wil met haar een avontuurtje hebben. Trijn is eerst verontwaardigd en wijst hem af. Toch lukt het Piet haar te betasten (vs. 292) en dat brengt haar in verwarring; ze blijft in haar woorden steken (achter vs. 294 zouden we stippeltjes moeten zetten), Piet raakt haar nog eens aan en ze zegt: ‘Hou toch op’ en gooit het gesprek over een andere boeg.
Aaltje komt weer binnen en dient de vis op. Na het eten gaat Piet naar zijn molen, d.w.z. naar buiten, en de vrouwen praten samen door. Dan bekent Trijn dat ze een afspraak met Piet heeft gemaakt, volgens haar zeggen gedwongen, en ze stelt Aaltje voor ’s nachts met haar van plaats en van kleding te verwisselen.
Als de kaars is uitgeblazen en alles stil is, komt Piet weer op, zich verkneukelend over het pleziertje dat hem te wachten staat. Hij kucht, zoals afgesproken is, en de deur gaat open en hij stapt binnen. Dan is het toneel leeg, alles is stil, de spanning stijgt. Na een poosje komt Piet weer naar buiten, vol lof over het weerwerk dat Trijn heeft gegeven. Hij ziet zijn knecht Joost-die intussen op het toneel is gaan liggen-en vertelt hem welk stout stukje hij zo pas heeft uitgehaald. Joost wordt er opgewonden van en krijgt van Piet toestemming om, in zijn plaats, een tweede keer naar binnen te gaan. Deze doet dat en dan hoont Piet de stadslui, die hij nu eens lekker een kool heeft kunnen stoven; zij schelden molenaars immers altijd uit voor dieven. Dan gaat hij naar zijn molen.
Het toneel is leeg, maar uit het huis klinkt de luide stem van Aaltje, die Joost uitmaakt voor alles wat lelijk is; ze denkt immers dat hij haar man is. En terwijl die anders nauwelijks naar haar omkijkt, komt hij nu tweemaal in een nacht (denkt Aaltje), omdat hij in de veronderstelling verkeert Trijn te pakken te hebben. Aaltje gooit Joost de deur uit.
Joost bekent aan Piet, die weer op het toneel is gekomen, wat er gebeurd is. Die ontslaat Joost op staande voet, daar zijn vrouw nu het van Joost, een jonge kerel, te pakken heeft en omdat hij niet kan hebben dat een ander met zijn vrouw vrijt. Geen woord over het feit dat ook hij bedrogen is. Als hij zijn vrouw hoort, gaat hij van het toneel.

Aaltje en Trijn komen buiten en nemen afscheid. De klucht eindigt met een alleenspraak van Trijn tegen het publiek; nu heeft zij binnenpret: ze heeft de list van Piet met list betaald gezet en ze zal het verhaal in de stad vertellen. De vrouwen onder het publiek waarschuwt ze goed uit te kijken: ‘Want al sietmen de luy, men kentse niet.’ Doelt ze hiermee alleen op Piet, of misschien ook op zichzelf? De juiste bedoeling is uit de woorden niet op te maken; deze moet duidelijk worden uit de manier waarop ze worden gezegd en uit de mimiek en de gebaren, die ermee gepaard gaan.a

Geen opmerkingen:

Een reactie posten